Hoe werkt Sensemaking

Sensemaking is als begrip relatief nieuw. In feite is de nieuwheid echter beperkt omdat Sensemaking vooral een combinatie is van bestaande wetenschappelijke inzichten, bekende kwalitatieve en kwantitatieve methodieken aangevuld met een nieuwe concept: zelf-duiding.

Duiden is het proces van het interpreteren van informatie. Verschillende mensen kunnen dezelfde informatie verschillend interpreteren. De informatie is dus ambigue. Dat is zeker het geval bij informatie in de vorm van beelden, geluid en tekst: narratief materiaal. Narratieve informatie is erg rijk qua betekenis, maar heeft ook één groot nadeel: de betekenis die “de verteller of maker” heeft willen overbrengen of beleefde is niet automatisch te ontsluiten middels computer-analyse omdat ieder woord in een natuurlijk taal (zoals Nederlands of een lokaal dialect) meerdere betekenissen heeft en zelfs door combinatie met andere taalelementen kan veranderen. Verder ontbreekt in de narratieve informatie veel context informatie die hoort bij het creatie/belevenis moment.

Beide problemen – de ambiguïteit en het verlies aan contextinformatie – kunnen voor een heel groot deel worden opgelost door grootschalig het oor te luisteren te leggen bij wat mensen – burgers, patiënten, medewerkers, klanten, etc. – vertellen over wat ze ervaren hebben rondom een bepaald onderwerp of met een organisatie. Als diezelfde mensen deze ervaring zelf duiden dan kan het overgrote deel van de ambiguïteit worden meegenomen in de interpretatie en ook de contextinformatie is op deze manier netjes in beeld te brengen. Dit gaat in drie stappen:

  1. Er wordt een aantal open vragen gesteld. Dat kan met tekst, bijvoorbeeld “wil je iets vertellen over [het onderwerp]”, of door foto’s te tonen over [het onderwerp]. Dit heten de “prompts”. Deze prompts kunnen worden aangeboden op formulieren, een website, via email en ook mobiel op Smart Phones of door het beschikbaar stellen van iPod Touch memorecorders.
  2. De respondenten kunnen hun ervaringen, indrukken, meningen en anekdotes delen door deze in te spreken, te typen of door een foto of filmpje van een situatie te uploaden.
  3. Er worden een aantal vragen gesteld over de situatie en de gevoelens van de deelnemer op dat moment te duiden. Voor het ontwikkelen van deze vragen worden de kernconcepten (relaties, tijd, bezit, markt, communicatie, rationaliteit, macht, traditie, etc.) uit de antropologie [1] gebruikt in combinatie met eerdere wetenschappelijke inzichten in de problematiek en de kennis die al aanwezig is binnen de opdrachtgever.

Op deze manier worden ervaringen en indrukken en ideeën en meningen en …. verzameld inclusief een heleboel duidingsinformatie daarover. Ieder verhaal wordt immers door de verteller voorzien van extra informatie over zijn/haar gevoel, inschattingen, houding, enz. Zo ontstaat een heel rijk beeld dat qua kwalitatieve informatie (het verhaal) puurder is dan via een interview kan worden verkregen en qua kwantitatieve informatie gelijkwaardig of zelf beter is dan een poll of survey. Het beste van beide werelden dus, en zelfs beter.


[1] Encyclopaedia of Social & Cultural Anthropology, Routledge World Reference, 1997 – 2002.